Geplaatst door: 
Verhaal

Arbeiders en beambten

Bij de HEEMAF werd  - net als bij andere bedrijven - onderscheid gemaakt tussen arbeiders en beambten. Dat onderscheid betrof niet alleen de arbeidsvoorwaarden, maar werkte door tot in de lunchpauze en de vrije tijd.

Arbeiders werkten in overall, stofjas of andere werkkleding in de fabriek als uurloner of weekloner. Beambten (ook employés genoemd) werkten op de kantoren en tekenkamers. Het was een gevarieerde groep: van eenvoudige kantoorbediende tot ingenieur. Om een idee te geven: in 1937 werkten er bij de HEEMAF 112 beambten, 52 weekloners en 432 uurloners. In economisch betere tijden was het aantal personeelsleden groter, maar de getalsverhouding tussen ambtenaren en arbeiders bleef ongeveer gelijk.

Beambten (en ook bezoekers) betraden en verlieten het bedrijf via de portier aan de Bornsestraat, waar ook de kantoren waren. Arbeiders betraden en verlieten het bedrijf via de “achterportier” aan de Heemafstraat. Daar waren aparte kleed- en waslokalen voor mannen en meisjes. 

In het kleedlokaal voor mannen was een kamertje ingericht als “Visitatiegelegenheid”. De bedoeling zal zijn geweest van diefstal verdachte arbeiders lijfelijk te onderzoeken.

Na het omkleden gingen de arbeiders naar hun fabrieksafdeling, waar ze eerst hun werkkaarten in de prikklok stempelden. De beambten hadden geen prikklokken.

Er waren aparte schaftlokalen voor arbeiders en beambten. Uit foto’s blijkt dat de inrichting en het aanbod weinig verschilden. De boterhammen werden van thuis mee gebracht en in de schaftlokalen genuttigd met daar gekochte koffie, thee of melk. Ook waren er snoep en rookwaren te koop. Er stonden bloemen en asbakken op tafel. De arbeiders zaten op banken zonder rugleuning en de beambten op stoelen. Het bestaan van aparte schaftlokalen had waarschijnlijk (mede) een praktische achtergrond: de arbeiders droegen niet voor niets werkkleding. Die kleding kon vies worden en aan de stoelen of banken afgeven. 

Op 19 augustus 1926 begon een staking van de HEEMAF arbeiders, die 10 weken zou duren. De ongeveer 500 volwassen mannelijke arbeiders waren grotendeels georganiseerd, namelijk 270 bij de Algemene, 130 bij de Rooms Katholieke en 35 bij de Christelijke Metaalbewerkersbond en 10 bij de federatie van Metaalbewerkers. De ongeorganiseerde mannelijke arbeiders, de150 vrouwelijke arbeiders en de 100 personen onder de 18 jaar staakten eveneens. Ook de directie gaf toe dat de staking algemeen was.

De 150 beambten waren lid van andere bonden, namelijk de Nationale Bond van Handels- en Kantoorbedienden „Mercurius", de Christelijke Kantoorbedienden Bond, de Nederlandse Bond van Technici en de Centrale Bond van Werkmeesters. Officieel waren ze niet bij het conflict betrokken, want het ging niet om hun arbeidsvoorwaarden. Toch bracht de staking de beambten in een moeilijke positie. Op 8 september 1926 verzond de directie namelijk brieven naar de verschillende afdelingen waarin de beambten verzocht werden “zich vrijwillig beschikbaar te stellen tot het verrichten van zoodanige werkzaamheden, als door ons in het belang der firma noodig worden geacht.” Kennelijk werd mondeling om een handtekening gevraagd, want in het HEEMAF archief zijn bij die brieven lijsten met namen en bijbehorende lijsten met handtekeningen aanwezig. Van de 21 werkmeesters tekenden er 18 voor akkoord, terwijl er 3 met (ziekte)verlof waren. De directie  ondervond de minste steun bij de 17  tekenaars: 7 tekenden voor akkoord, 4 stelden zich neutraal op en bij de rest is niets ingevuld. Al een dag later vond onder voorzitterschap van dhr. J. Bakker van de bond Mercurius een protestvergadering van beambten plaats. Sommige beambten verklaarden uit vrees voor ontslag voor akkoord te hebben getekend. Er werd een resolutie aangenomen, waarin het betreurd werd dat de directie de beambten voor een gewetensconflict had gesteld. Het kwam inderdaad voor dat beambten werk van arbeiders deden. Het sociaal-democratisch dagblad Voorwaarts meldde namelijk op 10 september 1926: “Door ondoelmatige behandeling van het kantoorpersoneel, dat onderkruiperswerk moest verrichten, en dat met den motorwagen (bedoeld is locomotief), bijgenaamd Sientje, moest rijden, is deze motor defect geraakt, zoodat men ze niet meer gebruiken kan. De stalhouder Sieberink heeft toen hulp verleend en voor transport gezorgd.” 

Voor sommige beambten was er vanwege de staking geen werk meer. Per 1 oktober 1926 werd een aantal beambten op wachtgeld gesteld, met een uitkering van 60% van het salaris voor gehuwden en slechts 40% voor ongehuwden. Bovendien zou het salaris van de overblijvende beambten per 1 november 1926 verlaagd worden, voor gehuwden tot 80% en voor ongehuwden tot 60%. Zo ver kwam het niet, want de arbeiders en directie kwamen onder leiding van een Rijksbemiddelaar tot een vergelijk en juist op 1 november 1926 gingen de arbeiders weer aan het werk.

Op 13 juni 1939 werd door een groepje beambten tijdens een bijeenkomst in het schaftlokaal besloten met een voetbalelftal deel te nemen aan de toen lopende bedrijfscompetitie en ook om een vereniging van HEEMAF beambten (de HEEMAF Beambten Vereeniging) op te richten. Het ging om een sportvereniging met als activiteiten voetbal, gymnastiek, bridge, tennis en schaak. 

Bij de Duitse inval in Nederland in de meidagen van 1940 beschikte de HEEMAF nog over veel grote braakliggende grond, met het oog op toekomstige fabrieksuitbreidingen en bouw van woningen voor het personeel. Al op 18 juli 1940 werd hier begonnen met de aanleg van volkstuintjes voor het personeel, maar ook met de aanleg van een sportveld. Op 14 juni 1941 opende directeur ir. F. R. Willink de tennisbaan. Op 13 september 1941 opende de andere directeur, ir. H. I. Keus, het voetbalveld, met daaromheen een atletiekbaan. Daarna speelde een elftal van de constructiewerkplaats de eerste voetbalwedstrijd tegen de schilders en timmerlieden. Twee elftallen van arbeiders dus. 

Beide directeuren zeiden in hun toespraken dat de directie de aanleg van het sportterrein gesteund had omdat sport bevorderlijk is voor het saamhoorigheidsgevoel van het personeel. Directeur Keus dankte het voorlopig bestuur (van beambten), maar hoopte “dat er spoedig een definitief bestuur zal groeien uit beambten en fabriekspersoneel samen”. Dat duurde nog tot de winter 1942/43. Toen werd de HEEMAF Beambten Vereeniging  veranderd in de Heemaf Personeels Vereeniging. Iedere HEEMAF medewerk(st)er kon voortaan  lid worden.

Vanwege de Tweede Wereldoorlog veranderde er meer in de relatie tussen arbeiders en ambtenaren. Eind 1941 nam de directie maatregelen om, met medewerking van de centrale keuken, aan het fabriekspersoneel, desgewenst dagelijks goedkope zogenaamde bonloze voeding te verstrekken. Dat gebeurde voor iedereen in het voormalige schaftlokaal voor arbeiders, dat voortaan kantine werd genoemd. Het schaftlokaal voor beambten werd een leslokaal. 

Wat betreft het overleg tussen de directie en personeel bleef het onderscheid tussen arbeiders en beambten langer bestaan. Het HEEMAF archief bevat notulen en dergelijke van kernvergaderingen in 1918 en 1919 en vanaf 1930. Die kern was de fabriekskern of arbeiderskern, die met de directie overlegde. De leden werden (in elk geval in 1936) door de arbeiders gekozen.

De naam beambtenkern is vanaf 1938 in het HEEMAF archief te vinden, maar de directie overlegde al eerder met de beambten. In 1950 werd de wet op de Ondernemingsraden van kracht, maar pas op 29 december 1955 vonden bij de HEEMAF verkiezingen plaats en vanaf 2 januari 1956 had de HEEMAF een ondernemingsraad, waarin zowel arbeiders als beambten waren vertegenwoordigd.

 

Bronnen

 

Gerrit Hendrik Boers, “Oplichtende vonken”, Boers Business, 2013.

HEEMAF glasplatencollectie, Historisch Centrum Overijssel.

HEEMAF archief, Historisch Centrum Overijssel.

Diverse gedigitaliseerde kranten via www.delpher.nl

 

 

 

Reacties