Geplaatst door: 
Verhaal

Hijskranen

De HEEMAF glasplaten-collectie van het HCO (Historisch Centrum Overijssel) bevat tientallen foto’s van hijskranen. De HEEMAF bouwde zelf geen hijskranen, maar leverde elektromotoren en andere elektrische onderdelen aan fabrikanten van hijskranen. De HEEMAF bedrijfsfotograaf werd op pad gestuurd om hijskranen met HEEMAF componenten vast te leggen voor reclame doeleinden. Ook verschenen er artikelen in het éénmaal per jaar verschijnende tijdschrift voor relaties, de Heemaf-Post.

In de naaste omgeving werkte de HEEMAF  samen met Stork-Hijsch in Hengelo en met  de Machinefabriek C .H. Sanders & Zn, Rörink & van den Broek en  de N.V. Machinefabriek Thole, alle drie in Enschede. Hijskranen gebouwd door Twentse machinefabrieken en uitgerust met elektrische installaties van HEEMAF waren in het hele land te vinden:

Uit het telefoonboek van 1950 blijkt dat  Caron een brandstoffenhandel was. De firma was gevestigd aan de rivier de oude Rijn (de huizen op de achtergrond liggen aan de overkant). De functie van de hijskraan is daarmee duidelijk: steenkool werd per binnenschip aangevoerd. Met de grijper (die nog nader beschouwd zal worden) werd een “greep” gedaan in het scheepsruim. Vervolgens werd de grijper opgehesen doordat de kabels waaraan de grijper hing werden opgewonden op een kabeltrommel, die werd aangedreven door een HEEMAF elektromotor. De kabeltrommel en elektromotor waren geplaatst in de machinekamer of kraanhuis, opgebouwd uit een stalen frame en houten wanden. Aan de voorkant was een cabine voor de kraandrijver.  Het kraanhuis was draaibaar geplaatst op een “onderwagen”. Het draaien om een verticale as gebeurde met een tweede HEEMAF elektromotor. De onderwagen reed met een soort spoorwielen op een stalen brug (ook portaal genoemd). De spoorwielen werden aangedreven door een derde HEEMAF elektromotor. De kraanarm kon niet bewegen (zoals bij sommige kranen wel het geval is). De grijper beschreef dus een draaicirkel met steeds dezelfde straal. Door de combinatie van het rijden met de hijskraan en het draaien van het kraanhuis kon de grijper – binnen bepaalde grenzen - toch boven elk gewenst punt komen.

Wanneer de grijper met steenkolen uit het schip gevuld en daarna opgehesen was, werd de hijskraan zodanig gedraaid en verreden dat de grijper boven de gewenste plaats op het opslagterrein kwam te hangen. De grijper werd geopend en de steenkolen vielen op een hoop. Er was nog een tweede toepassing: met deze hijskraan konden kolen van een hoop op het opslagterrein in een vrachtauto of een (paard-en-)wagen worden overgeslagen.

De inbreng van de HEEMAF beperkte zich niet tot de drie elektromotoren. Onder handbereik van de kraandrijver  stond in de kraancabine voor elke elektromotor een zogenaamde “controller”. Met een handwiel bovenop de controller kon de kraandrijver een elektromotor aan of uitschakelen of van draairichting veranderen (de kraan moest immers bijvoorbeeld op de brug beide kanten op kunnen rijden). Het draaien en rijden van het kraanhuis gebeurde waarschijnlijk met één bepaalde snelheid (die dus constant gehouden moest worden). Voor het hijsen kon waarschijnlijk meer dan één snelheid gekozen worden. Controllers waren niet specifiek voor hijskranen. Bijvoorbeeld oude elektrische trams hadden ook controllers.

Andere bedieningsorganen zijn een hendel voor een koppeling en rempedalen op de vloer. Het laten zakken van de grijper gebeurde namelijk op de zwaartekracht. Daartoe moest de kabeltrommel van zijn elektromotor losgekoppeld kunnen worden en moest ook tijdig geremd kunnen worden. Het remmen gebeurde door het aantrekken van een remband om een remtrommel op de as van de kabeltrommel.

Kranenbouwers voorzien hun producten doorgaans van een fabrieksplaat. Die zat hier onder de voorruiten van de cabine. Bij hoge vergroting is te zien:

RÖRINK & v/d BROEK

afd.kraanbouw

ENSCHEDE

hefverm. 2500 KG.

vlucht 14 M.

De vlucht is de straal van de cirkel die de grijper beschrijft als de hijskraan draait. De grijper kon dus 2500 kg (2,5 ton) kolen bevatten en die binnen een afstand van 14 meter ter weerszijden van de brug storten. Sommige andere hijskranenbouwers voorzagen hun fabrieksplaten ook van een fabrieksnummer en bouwjaar.  De kraan in Leiden kan wel eerder dan in 1952 gebouwd zijn. De HEEMAF fotograaf  spaarde dit soort karweitjes namelijk op (Hij fotografeerde bijvoorbeeld later op dezelfde 12 februari 1952 een portaaldraaikraan bij Van Vliet en de Jong, Grote Bikkerstraat 20-24 te Amsterdam.  Een fabrieksplaat is helaas niet op de foto’s te ontdekken).

Behalve elektromotoren en de bijbehorende controllers leverde de HEEMAF nog meer elektrotechnische onderdelen voor de hijskraan van Caron. De drie elektromotoren moesten immers van elektrische stroom worden voorzien en dat terwijl de onderwagen kon rijden en het kraanhuis op de onderwagen kon draaien.

De elektrische stroom komt volgens bovenstaande foto van de brug in de onderwagen via een stroomafnemer die min of meer vergelijkbaar is met de stroomafnemer van een elektrische locomotief, maar dan in drievoud. De volgende stap (van de onderwagen naar het daarop draaibare kraanhuis) zal wel met sleepringen zijn opgelost. Daar is geen foto van, maar het is duidelijk dat ook daar voor de HEEMAF werk aan de winkel is geweest. En dan was dit een weliswaar vrij grote, maar toch eenvoudige kraan. Dit kraantype (met drie motoren, houten huis, een grijper en een vaste kraanarm) kwam veel voor. De volgende foto toont een variant:

Deze hijskraan heeft geen grijper, maar een haak. De hijskraan rijdt niet op een brug, maar op de begane grond. Het was daarom niet mogelijk om de hijskraan op dezelfde manier van stroom te voorzien als een brugkraan: de drie draden waar de stroomafnemers langs strijken zouden het verkeer op de kade in de weg zitten en bovendien levensgevaarlijk zijn bij aanraking. Dit is opgelost door een kabeltrommel aan de voorkant van de onderwagen. De hijskraan wordt  door de kabel van stroom voorzien. De kabeltrommel wordt door dezelfde elektromotor in beweging gebracht als de wielen van de onderwagen. De kabel wordt afgerold bij het naar rechts rijden op de foto en opgerold bij het rijden in tegengestelde richting.

Dit is een soortgelijke kraan als die in Leiden, maar wel een slag groter en gebouwd door Machinefabriek C .H. Sanders & Zn in Enschede. De brug is nu van beton in plaats van staal en reikt aan de linkerkant tot over de haven. De onderwagen rijdt niet op 4 maar op 8 wielen. In verband met het uitzicht is de cabine voor de kraandrijver is niet voor maar op de machinekamer geplaatst.

De HEEMAF fotograaf was er voortijdig bij: onder de brug zullen nog spoorbanen worden aangelegd, waarop wagens met kolen van de Limburgse mijnen met de grijper van de hijskraan gelost werden. Na de sluiting van de Limburgse mijnen omstreeks 1970 was de procedure juist omgekeerd en werden kolen uit binnenschepen in spoorwagens overgeslagen met dezelfde hijskraan van het bedrijf dat inmiddels Enerco heette.  De hijskraan was tot na 1985 in bedrijf.

Ook van de derde Enschedese kranenbouwer, de Machinefabriek Thole, staat een product op HEEMAF glasplaten.

Het lag voor de hand dat HEEMAF ook veel samen werkte met Stork-Hijsch in Hengelo. Dat leverde in 1931 alle transportinstallaties voor de nieuwe centrale van het Provinciaal Electriciteitsbedrijf van Noord-Holland (PEN) in Velsen. De kolen werden over een eigen spoorbaan met eigen spoorwegmaterieel naar het kolenpark vervoerd. Stork-Hijsch kocht de benzinelocomotief bij Windhoff in Rheine (D); de spoorwagens werden gebouwd bij de Waggonfabrik Uerdingen (D). Onder andere de brugkraan in het kolenpark werd door Stork-Hijsch zelf gebouwd:

De hijskraan heeft de vorm van een brug. Vandaar de naam brugkraan of portaalkraan. De poten van de brug staan met wielen op wijd uit elkaar liggende rails. De hele brug kan met behulp van een elektromotor rijden. De tweede elektromotor laat een wagen (een zogenaamde loopkat) over de brug rijden. Onder aan die loopkat hangen een cabine voor de kraandrijver en een grijper. De functie van de ene elektromotor op de loopkat is het laten rijden van de wagen. De andere drijft de kabeltrommels voor de grijper aan (waarover later meer). Met de grijper werden kolen uit de spoorwagens gehaald en op de gewenste plaats in het kolenpark gelost. Ook het omgekeerde gebeurde: Kolen uit het kolenpark werden met de hijskraan in de spoorwagens overgeslagen. Door het openen van kleppen werden de spoorwagens vervolgens gelost bij de ondergrondse bunkers van het ketelhuis.

Stork-Hijsch werd in 1898 opgericht als afdeling van Stork in Hengelo. De volledige naam was afdeling Hijschwerktuigen en Electrische Krachtoverbrenging. In 1912 werd dit een dochter, geheten N.V. Gebr. Stork en Co’s Fabriek van Hijschwerktuigen. Kortweg sprak men over Stork-Hijsch. Stork-Hijsch verhuisde in 1932 naar een leegstaande fabriek aan het Spaarne in Haarlem. Een deel van de Haarlemse werf Conrad (waarin Stork belangen had) verhuisde ook naar dit terrein. In 1941 werd Conrad geliquideerd en overgedragen aan Stork-Hijsch. De naam werd toen Conrad Stork. De Heemaf bleef een toeleverancier.  Een prachtig voorbeeld is de hijskraan op de loskade van “Electrozuur” aan het IJ in Amsterdam-Noord. Dat bedrijf produceerde onder ander gassen als zuurstof, waterstof en acetyleen. 

Stork-Hijsch bevestigde de fabrieksplaat in de kraanarm. Bij deze hijskraan staat er op:

Stork-Hijsch

Haarlem

no. 1580   6000 kg   1939

De hijskraan in Amsterdam-Noord hoorde bij de in 1940 in gebruik genomen carbidfabriek. Die gebruikte kalksteen als grondstof. Kennelijk werd de kalksteen per binnenschip aangevoerd, door de hijskraan in een silo overgeslagen en in een kipkar op smalspoor (rechtsonder op de foto) met mankracht naar de carbidfabriek geduwd. Uit luchtfoto’s blijkt dat er een identieke hijskraan voor het lossen van kolen gebruikt werd.

Deze hijskraan lijkt op die in de twee eerste voorbeelden, maar er is geen brug waarover de kraan rijdt. In plaats daarvan is het kraanhuis draaibaar geplaatst op een (in dit geval vrij lage) toren en kan die toren over rails op de begane grond rijden. De elektromotor voor het laten rijden van de toren is met enige moeite op bovenstaande foto te zien. De onderstaande foto is daarvan een detail:

Hier blijkt het voordeel van elektromotoren. Bij hijskranen die werden aangedreven door een stoommachine, een benzinemotor of een dieselmotor was er één zo’n krachtbron in het kraanhuis geplaatst.  Via koppelingen konden verschillende functies worden ingeschakeld. Voor het laten rijden van de kraan zijn dan lange assen vanuit het kraanhuis nodig. Bij het gebruik van een elektromotor volstaan enkele elektrische kabels tussen de elektromotor en het kraanhuis. Bovendien zou het bij een stoommachine of verbrandingsmotor lastig zijn geweest om de kolen, benzine of dieselolie boven in de machinekamer te krijgen.

De andere twee elektromotoren zijn ondergebracht in het kraanhuis. Eén ervan kan het kraanhuis op de toren laten draaien. De grijper hangt aan twee kabels. Die kabels worden opgewonden op twee kabeltrommels in het kraanhuis. Beide kabeltrommels worden aangedreven door de derde elektromotor.

Grijpers kwamen al ter sprake. Daar zal nu kort op worden ingegaan, want grijpers waren belangrijk voor HEEMAF: de HEEMAF deed proeven met grijpers en er werden artikelen over geschreven in het tijdschrift voor relaties, de Heemaf-Post. De onderstaande tekening komt uit het artikel “De Grijper in de Greep van de onderzoeker” in de Heemaf-Post nummer 48 van 24 december 1957:

Een grijper bestaat uit twee helften, bekken genaamd. De bekken scharnieren in een blok dat verbonden is met de zogenaamde bek- of sluitkabel, die in de machinekamer wordt opgewonden op de bek- of sluittrommel. De buitenzijden van de bekken zijn verbonden met een ander blok dat aan de kop- of hijskabel hangt. Die wordt in de machinekamer opgewonden op de kop- of hijstrommel. Bij de eenvoudige, tot nu toe besproken hijskranen worden beide trommels door één elektromotor aangedreven: 

Dat is te zeggen: De bektrommel is vast met de elektromotor verbonden. De trommel van de kopdraad kan door middel van een koppeling aan de bektrommel verbonden worden. Deze kopdraadtrommel kan ook op de rem gezet worden. Als de grijper open op het materiaal staat wordt zowel de koppeling als de rem losgezet. Nu wordt de motor van de bektrommel ingeschakeld en zal de grijper zich sluiten. Als de grijper dicht is wordt de koppeling ingezet en zullen allebei de trommels door de motor gehesen worden. Op de plaats van waar de lading gelost moet worden wordt de koppeling uitgeschakeld en de rem vastgezet. Als nu de bekkabels gevierd worden zal de grijper zich openen. Nu moet eerst de koppeling ingeschakeld worden en dan pas de rem uitgeschakeld. Hierna kan men weer terugdraaien en de grijper laten zakken op het materiaal. Dan weer de koppeling los, bektrommel hijsen zodat de grijper zich sluit, enz. Men heeft bij dit systeem dus drie handles.

Het werken met twee kabeltrommels en één motor ging traag omdat er steeds veel handelingen van de kraandrijver nodig waren. De HEEMAF deed daarom proeven met andere mogelijkheden:

Bij deze proeven werden de bektrommel en de koptrommel elk door een eigen elektromotor aangedreven. Via ingewikkelde elektrische en mechanische regelingen was het mogelijk de grijper met een simpel pookje (zoals dat van een versnellingsbak in een auto) te “besturen”: 

Bij het naar achteren bewegen van de pook werd de grijper langzaam opgehesen en bij een stand verder naar achteren snel. Bij het naar voren bewegen van de pook ging de grijper naar beneden, bij het naar links bewegen ging de grijper open en het naar rechts bewegen resulteerde in het sluiten van de grijper.

Deze regelapparatuur was niet door de HEEMAF ontwikkeld, maar door "la Télémécanique Electrique" in Parijs. Dat is kenmerkend: behalve de succesvolle SKA elektromotoren en de minder succesvolle HEEMAF stofzuiger zijn weinig producten door de HEEMAF zelf ontwikkeld. Bijvoorbeeld bij de telefoons ging het om een licentie van het Duitse Siemens & Halske en bij de elektrische apparatuur voor treinstellen en locomotieven om licenties van het Amerikaanse Westinghouse.

De HEEMAF proeven waren gericht op het eenvoudig, snel en zeker bedienen van de grijper en niet op de werking van de grijper zelf. Die grijper zal volgens een beproefd ontwerp door een andere fabriek geleverd zijn. Toch tonen de HEEMAF foto’s ook prima hoe de grijper zelf werkt:

Door het gebruik van een grijper met aparte elektromotoren voor het sluiten en het hijsen kwam het aantal elektromotoren van de besproken types grijperkranen op vier. Tot nu toe ging het bij de draaikranen om hijskranen met een vaste kraanarm, maar bij bijvoorbeeld de onderstaande kraan kon de stand van de kraanarm worden ingesteld, zodat de “vlucht” gevarieerd kon worden:

De beweegbare kraanarm heeft aan de onderkant ter weerszijden van de machinekamer grote ballastblokken. Vaak gebeurde het bewegen van een kraanarm via kabels, maar hier gaat dat met excentrieken ter weerzijde van de cabine. Ook in dit geval is voor het laten bewegen van de kraanarm een extra elektromotor nodig.

Bij een beweegbare kraanarm hangt het hijsvermogen van de stand van de kraanarm af. Als de kraanarm bijna horizontaal staat, valt de kraan al bij een betrekkelijk lichte last om. Daarentegen is in de meest verticale stand het hefvermogen groot. Er moet daarom een beveiliging (de zogenaamde lastbeveiliging) zijn die het omvallen van de kraan bij het  laten zakken van de kraanarm voorkomt.

Een interessant aspect van de HEEMAF glasplaten is dat de fotograaf – na een klauterpartij bepakt met fotoapparatuur - vaak ook het inwendige van de machinekamer en de cabine voor de kraandrijver toont:

De fotograaf staat midden in de machinekamer en kijkt naar de cabine voor de kraandrijver. Op de scheidingswand zit een fabrieksplaat van Conrad Stork (no 1893  4000 kg x 19 m. Anno 1954). Onder de fabrieksplaat staat een elektromotor die via een haakse overbrenging het kraanhuis kan laten draaien. In de andere hoek van de machinekamer staat een elektromotor die een as aandrijft die van de ene zijwand naar de ander loopt. Op die as zitten aan de buitenzijde de excentrieken waarmee de kraanarm versteld wordt. In de linkerbenedenhoek van de foto is een HEEMAF elektromotor te zien. Die drijft via een elektrisch bediende rem en een tandwielkast een kabeltrommel aan. Beide einden van de kabel worden in groeven op de trommel opgewonden. 

De fotograaf kijkt nu – vergeleken met de vorige foto – de andere kant op. Nu zijn beide kabeltrommels op de voorgrond te zien. Achter de rug van de fotograaf staan twee al besproken elektromotoren. In totaal zijn in de machinekamer dus vier elektromotoren opgesteld. Daarbij komen nog één of twee elektromotoren voor het laten rijden van de hijskraan. Tegen de achterwand is een grote hoeveelheid regel- en beveiligingsapparatuur te zien, onder andere relais. De HEEMAF heeft ook deze apparatuur niet zelf ontwikkeld, maar heeft die betrokken van de eerder genoemde firma la Télémécanique Electrique.

In de cabine van de kraandrijver zijn vijf controllers aanwezig: twee links van zijn stoel, twee rechts ervan en één rechts tegen de zijwand. Alleen die laatste is voorzien van een handwiel. De andere controllers worden via pookjes of hendels bediend. Het linker pookje kan zowel naar links en rechts als naar voren en naar achteren bewegen en bedient waarschijnlijk het op/neer gaan en het openen/sluiten van de grijper. De twee hendels rechts van de stoel kunnen alleen naar voren/achteren bewogen worden. Op de vloer zijn twee rempedalen aangebracht.

Behalve van hijskranen gebouwd door Twentse kranenbouwers zijn er bij het Historisch Centrum Overijssel ook HEEMAF glasnegatieven van kranen gebouwd door andere Nederlandse kranenbouwers:

Du Croo & Brauns in Amsterdam

Nemag in Rotterdam

N.V. Nederlandse Kraanbouw Mij te Utrecht

Jaffa in Utrecht

Figee in Haarlem

en vooral Hensen in Rotterdam

Nederlandse kranenbouwers werkten ook samen met andere Nederlandse elektrotechnische bedrijven dan HEEMAF, zoals Hazemeijer in Hengelo.

De Duitse firma Krupp-Ardelt bouwde in 1959 vier enorme laadbruggen aan de Westhaven ten behoeve van het N.V. Overslagbedrijf Amsterdam. Een citaat uit het tijdschrift Heemaf-Post “Dat Heemaf een zo belangrijk aandeel in de bouw van deze kranen heeft kunnen nemen is voor een groot deel te danken aan de medewerking van de Directie van de N.V. Overslagbedrijf „Amsterdam" te Amsterdam. Heemaf is daarvoor zeer erkentelijk, want daardoor is wederom een belangrijk en interessant object toegevoegd aan haar arbeidsterrein op het gebied van transportwerktuigen.” Dit betrof dus samenwerking met een Duitse firma bij kranenbouw in Nederland. Leveringen naar het buitenland van HEEMAF apparatuur voor hijskranen zijn niet bekend.

Tot slot de enige goede foto van een kraandrijver in de HEEMAF glasplaten collectie: 

 

Er waren nog veel meer hijskranen waarbij HEEMAF betrokken was. Zie hiervoor het Fotoalbum Hijskranen.

 

 

 

 

 

Reacties

afbeelding van H.Burger
Hele mooie website maar er staan enige fouten in de tekst betreffende de werking van een grijperlier uitgerust met één electromotor. de werking is als volgt. De sluittrommel is vast met de electromotor verbonden. De trommel van de kopdraad kan door middel van een koppeling aan de sluittrommel verbonden worden. Deze kopdraadtrommel kan ook op de rem gezet worden. Als de grijper open op het materiaal staat wordt zowel de koppeling als de rem losgezet. Nu wordt de motor van de sluittrommel ingeschakeld en zal de grijper zich sluiten. Als de grijper dicht is wordt de koppeling ingezet en zullen allebei de trommels door de motor gehesen worden. Op de plaats van waar de lading gelost moet worden wordt de koppeling uitgeschakeld en de rem vastgezet. Als nu de sluitkabels gevierd worden zal de grijper zich openen. Nu moet eerst de koppeling ingeschakeld worden en dan pas de rem uitgeschakeld. Hierna kan weer terug gedraaid worden en de grijper laten zakken op het materiaal en dan weer de koppeling los, sluittrommel hijsen zodat de grijper zich sluit enz. Men heeft bij dit systeem dus drie handles.
afbeelding van Henk Kolkman
Hartelijk dank voor uw reactie. U hebt volkomen gelijk. Ik zal alsnog een tekening uit het genoemde artikel in de Heemaf Post opnemen waaruit dat duidelijk blijkt en waarin de 3 handles te zien zijn. Om verdere ongelukken te voorkomen zal ik mijn tekst bij de grijperlier met één elektromotor graag uw tekst gebruiken, waarbij ik de terminologie uit bedoelde tekening zal aanhouden.