Geplaatst door: 
Verhaal

HEEMAF fabrieksmeisjes

Volgens W. Dubbink (zie de bronnen onder in dit verhaal) kwam het gemiddelde fabrieksmeisje uit een boeren- of arbeidersgezin. Na 8 jaar school was er de keuze tussen een baan als dienstmeisje, winkelmeisje of fabrieksmeisje. Ze deed ongeschoold werk en had – anders dan jongens – vrijwel geen mogelijkheid door scholing hogerop te komen. Dat werd door het fabrieksmeisje en haar omgeving niet als een probleem gezien, want zowel zij als haar omgeving gingen er vanuit dat ze zou trouwen en dan verder als huisvrouw door het leven zou gaan. Met het als fabrieksmeisje verdiende geld werd kostgeld aan de ouders betaald en werd voor een “uitzet” gespaard.

Bij de HEEMAF werkten ook (maar veel minder) vrouwen op kantoor of in een tekenkamer. Hoewel deze meer geschoolde vrouwen ook in zekere zin in of voor een fabriek werkten, werden ze niet als fabrieksmeisje betiteld. Fabrieksmeisjes die nooit trouwden en al lang volwassen vrouwen waren, bleven onder de noemer fabrieksmeisje vallen. 

Volgens de telefoonlijst uit 1919 had HEEMAF vier productie-eenheden: de Apparatenfabriek, de Instrumentenfabriek, de Motorenfabriek en het Installatiebureau. Op de telefoonlijst is alleen bij de Instrumentenfabriek sprake van een Meisjesafdeeling en een Mannenafdeeling. 

De meisjes op bovenstaande foto zaten aan een lopende band en konden daarom niet in hun eigen tempo werken. Ze werden waarschijnlijk per uur betaald. In sommige andere afdelingen werkten ze meer individueel en kregen ze stukloon (men sprak ook van accoordwerk).

Het volgende krantenartikel in Het Vaderland van 4 februari 1925 geeft een idee van de beloning:

 “Een vijftig jeugdige arbeidsters, hoofdzakelijk meisjes, werkzaam op Heemaf, hebben het werk neergelegd, om een verschil van 30 cent per week voor de hoogstbetaalden in geval van ziekte. De weekinkomens in de afdeeling, waarin gestaakt wordt, variëren van f 10 voor meisjes van 14 jaar tot een maximum van ongeveer f 20.”

De meisjes waren bepaald niet onmondig, gezien deze staking (die overigens niets opleverde) en een andere, nog te bespreken staking van alleen fabrieksmeisjes. 

Op alle foto’s dragen de fabrieksmeisjes werkkleding, meestal over en soms (zoals in bovenstaande foto) in plaats van hun eigen bovenkleding. Die werkkleding kan verschillen per afdeling en tijdvak.  Hieraan wordt in fotobijschriften aandacht besteed.

Het omkleden gebeurde in een waslokaal. De wasgelegenheid bestond slechts uit een wasbak. De fabrieksmeisjes deden meestal geen vies werk en thuis wachtte er ook geen douche of bad.

Bij het werk aan een draaibank bestaat het gevaar dat lange haren of loshangende kleding meegetrokken worden tussen de snel draaiende delen. Ook deze meisjes hebben daarom mutsen op. Ze dragen onderling verschillende schortjassen over de eigen bovenkleding, die kennelijk aan de achterzijde worden dichtgeknoopt. Het linkse meisje heeft een ceintuur, die aan de achterkant wordt dicht gemaakt zodat de losse einden geen gevaar vormen.

Werk aan een draaibank vergt doorgaans een technische opleiding, waarop indertijd geen meisjes  werden toegelaten. Waarschijnlijk verrichten deze meisjes steeds dezelfde eenvoudige handelingen, zoals het steeds op dezelfde maten draaien van assen voor de massaproductie van elektromotoren.

Om een idee te geven van het aantal fabrieksmeisjes: in De Tribune (een sociaal democratisch weekblad) van 20  augustus 1926 staan de volgende getallen: “Door den secretaris van den Algemenen Nederlandschen Metaalbewerkersbond wordt ons omtrent de staking het volgende medegedeeld: Bij de Heemaf is het personeel ongeveer 900 man groot, waarvan 150 employé's (kantoorpersoneel), 150 vrouwen, 100 personen beneden 18 jaar en 500 volwassenen. In staking zijn gegaan het vrouwen-personeel, de personen beneden 18 jaar en alle volwassen arbeiders.”

Er waren in 1926 dus 150 fabrieksmeisjes (aannemende dat de fabrieksmeisjes onder de 18 bij het “vrouwen-personeel” zijn gerekend; zo niet dan waren er meer dan 150). Die meisjes werkten in diverse afdelingen. Vooral in de Kleinwikkelarij en (vanaf 1931/32) in de Telefoonafdeling werkten veel meisjes. Op die afdelingen zal nader worden ingegaan.

In De Telegraaf van 25-januari 1926 stond:

“Zaterdag werd op de „Heemaf" in de afdeeling klein wikkelarij (dat was de wikkelarij voor kleine motoren) door een aantal meisjes het werk neergelegd in verband met de voorgestelde tariefsverlaging voor eenige in deze afdeling vervaardigde artikelen. Wij vernemen, dat de voorgestelde verlaging op grond van vergelijkende resultaten de mogelijkheid openlaat, dat het weekinkomen een achteruitgang zal ondergaan. Het weekinkomen is  thans van dien aard, dat meisjes, welke slechts een goed half Jaar op Heemaf te werk zijn gesteld, zonder eenige vooropleiding een weekinkomen van 13 gulden kunnen maken.”

Uit het artikel volgt dat de wikkelaarsters stukwerk (accoordwerk) deden. Het weekloon van 13 gulden past goed tussen  de hierboven genoemde ondergrens van 10 gulden voor meisjes van 14 jaar en het maximum  van 20 gulden. Een volwassen arbeider verdiende meer (grofweg 25 gulden). Het was daarom voor HEEMAF van groot belang  veel jonge meisjes in dienst te hebben.

Kennelijk kon de HEEMAF niet aan voldoende wikkelaarsters komen en liet daarom gezinnen met veel meisjes uit Drente komen. Dit blijkt uit een artikel in Het volk (dagblad voor de arbeiderspartij ) van 20 oktober 1925:

“ Voor eenige maanden hebben wij er reeds opgewezen, dat de direktie van de Heemaf Drentsche gezinnen naar hier haalde, groote gezinnen, in het bijzonder die met veel meisjes, welke men als wikkelaarsters noodig heeft.  Wij hebben er ook reeds op gewezen, dat de mannen, die geen vak kenden, de ongeschoolde arbeiders konkurrentie zouden aandoen. Onze vrees is reeds werkelijkheid.  Men deelt ons tenminste mede, dat er op genoemde fabriek menschen ontslagen zijn, en vervangen worden door de vaders van de Drentsche meisjes, die 7 cent per uur minder verdienen. Drentsche gezinnen helpen is best, daarvoor Overiisselsche arbeiders slachtofferen — en het voordeelig verschil in den zak steken — dat is toch onvervalschte fabrikanten-philantropie.”

Na de Tweede Wereldoorlog was er nog steeds dringend behoefte aan wikkelaarsters. Maar in plaats van Drentse meisjes naar Hengelo te halen, ging de HEEMAF nu zelf naar de Drentse meisjes: in 1946 werd een vestiging in Zwartemeer in gebruik genomen.

In 1966 werkten er in Zwartemeer 130 medewerkers, voor een groot deel meisjes. HEEMAF kreeg echter steeds meer concurrentie op het gebied van kleine motoren. Na verschillende ontslagrondes werd de vestiging in Zwartemeer in 1979 gesloten.

Vroeger was de telefoon een monopolie van het staatsbedrijf PTT. Abonnees huurden een telefoontoestel van de PTT. In 1931 kreeg HEEMAF een licentie van het Duitse Siemens & Halske om telefoons naar ontwerp van dit Duitse bedrijf voor de PTT te gaan produceren. Die telefoons werden geheel in Hengelo gemaakt, inclusief bijvoorbeeld de bakelieten kap en papiercondensatoren.

Aanbrengen van de bedrading in tafeltelefoontoestellen, 12 januari 1932 (collectie HCO).

Net als voor de Wikkelarij konden ook voor de Telefoonafdeling in Hengelo niet voldoende fabrieksmeisjes gevonden worden en stichtte HEEMAF daarom een nevenvestiging in Drenthe:  in Coevorden werden vanaf 1947 kiesschijven en andere telefoononderdelen gemonteerd.

Toch lukte het HEEMAF op den duur niet voldoende fabrieksmeisjes aan te trekken, zoals in de Leeuwarder courant van 16 april 1970 bericht werd:

“Heemaf NV in Hengelo is in de Nederlandse Antillen doende twintig ongeschoolde meisjes te werven voor montagewerkzaamheden in de fabrieken in Hengelo en Coevorden. Dit is een gevolg van gebrek aan monteuses van telefoontoestellen, waarin op de binnenlandse arbeidsmarkt niet valt te voorzien. Het tekort aan vrouwelijke arbeidskrachten is mede het gevolg van de noodzakelijke opvoering van de telefoonproduktie.’’

Op Schiphol arriveerden op 3 juni 1970 16 meisjes uit Curaçao, die een contract voor twee jaar met HEEMAF in Hengelo hadden afgesloten voor werk in de afdeling Telelfoonmontage. Aan de Twentsche Courant van 10 juli 1970 is het volgende ontleend:

Vijf meisjes kregen samen een huis aan de Bornsestraat. Een achterbuurvrouw kookte voor hen en hield de boel schoon. Daniela woonde een paar huizen verder bij een familie in volledig pension. Drie meisjes hadden samen een huisje in de Smutsstraat. “Mevrouw Zwierstra uit de Bernardstraat heeft Ivonne in huis. Zij neemt haar Curaçaose kostgangster ieder weekend mee naar een camping. Mevrouw Zwierstra gaat vaak op bezoek in het huis aan de Bornestraat, dat zo’n beetje het trefcentrum is voor de groep. Ze vindt het een erg vrolijke boel.” De aandachtige lezer zal tot tien meisjes zijn gekomen; over de andere zes werd niet gerept.

Vijf maanden na hun komst bleken er nog maar 5 van de 16 meisjes bij HEEMAF te werken.

HEEMAF weet het mislukken van het aantrekken van de Antilliaanse meisjes aan het optreden van het Actie-comite van Antillianen in Amsterdam. Dit comite hield HEEMAF verantwoordelijk, omdat de meisjes onjuiste dingen zouden zijn voorgespiegeld.  De meeste meisjes vonden het werk vuil. Ze hadden in Nederland een opleiding willen volgen tot bijvoorbeeld ziekenverzorgster. Toen hun op de Antillen verteld was dat een dagopleiding onmogelijk was, hadden ze gedacht dat er wel in de avonduren een opleiding gevolgd kon worden.

HEEMAF produceerde telefoons met een draaischijf. Toen de PTT toestellen met druktoetsen wenste, bleek HEEMAF niet in staat om die voor een door de PTT redelijk geachte prijs te leveren.  Daarom kwam in 1977 een einde aan de telefoonproductie bij HEEMAF. De vestiging in Coevorden werd gesloten.

Zoals al besproken, volgde de vestiging in Zwartemeer in 1979. In 1980 werden bij HEEMAF in Hengelo nog wel kleine motoren geproduceerd. Het verschijnsel fabrieksmeisje was toen in Nederland aan het verdwijnen. Er  was geen sprake meer van dat kinderen van 14 de hele werkweek in een fabriek konden gaan werken. Sinds 1975 waren kinderen partieel leerplichtig tot en met het jaar waarin ze 17 werden. Eenvoudig werk werd gemechaniseerd of overgebracht naar lagelonenlanden. 

Tot slot nog een laatste foto:

Bronnen

 

W. Dubbink, Het fabrieksmeisje, tijdschrift Groniek, nr. 97 (1987).

Het lezenswaardige artikel slaat niet op de HEEMAF, maar wel op een Overijsselse fabriek: de Koninklijke Stoom Weverij in Nijverdal. Een pdf is te downloaden met de volgende link:

http://rjh.ub.rug.nl/index.php/groniek/article/view/17422/14912

 

 “Heemaf en de ontwikkeling van de telefonie in Nederland” op www.holechistorie.nl

 

Gerrit Hendrik Boers, “Oplichtende vonken; mijn werkzame leven & de geschiedenis van HEEMAF en elektrotechniek in Nederland”, Boers Business, 2013 (HCO collectie).

 

Gedigitalisserde kranten via de website:
www.delpher.nl

De locale dabbladen Tubantia en de Twentsche Courant staan daar niet op, maar wel enkele Antilliaanse bladen, waarin artikelen over de Antilliaanse fabrieksmeisjes uit genoemde kranten zijn overgenomen.

Reacties